Leve de eigenwijsheid en de peuterpuberteit!

 

Als je dit artikel leest heb je waarschijnlijk een eigenwijs kind, vermoedelijk een peuter. Wees gerust, dat heeft hij vast van zijn vader. Tenzij jíj zijn vader bent, dan heeft hij het van zijn moeder. Maar van wie hij het ook heeft, je zit er maar mooi mee en je hebt ermee om te gaan. En dat is vooral tijdens de peuterpuberteit niet gemakkelijk.

In dit artikel vind je verderop zes tips om het makkelijker te hebben met de peuterpuberteit en eigenwijsheid.

Bij een eigenwijs kind denken we al gauw aan een kind dat links wil als jij rechts wil. Dat koppig blijft vasthouden aan een onzinnige wens (‘Ik wil gewoon met mijn schoenen aan slapen!’ – Let vooral op het woordje ‘gewoon’ dat kinderen graag gebruiken om allerlei vreemde eisen kracht bij te zetten). Of een kind dat halsstarrig iets weigert te doen, omdat het om onduidelijke redenen heeft besloten het niet te doen. Hoeveel argumenten en redenen je er ook tegenaan gooit en met welk volume ook, het kind is onvermurwbaar. Het heeft een idee over hoe het de dingen wil en is hier niet vanaf te brengen. Vooral voor peuters is dit heel gangbaar gedrag, alleen noemen veel mensen het dan peuterpuberteit.

Toch is eigenwijsheid geen slechte eigenschap. Alleen een wat moeilijke eigenschap. Maar als je het anders bekijkt, valt er best wel wat waardering voor op brengen. Laten we het daarom wat nader bekijken.

Wat eigenwijsheid eigenlijk is

Eigenwijsheid is eigenlijk weinig meer dan een doorgeschoten versie van voor jezelf opkomen. Van zeggenschap over je eigen leven opeisen. Het is het onhandige broertje van assertiviteit. Het is wilskracht met raketmotoren, die, als ze eenmaal aangaan, nauwelijks meer te stoppen of te besturen zijn. Het is een sterke drang om dingen uit te proberen, te ervaren, in plaats van verteld te worden.

Voor jezelf opkomen, zeggenschap hebben, assertief zijn, wilskracht hebben en dingen willen onderzoeken en te ervaren zijn geen slechte eigenschappen. Sterker nog, het zijn eigenschappen waar je ver mee kunt komen in het leven. Eigenwijsheid is daarmee dan ook eigenlijk geen lastige eigenschap. Het is een goede eigenschap in zeer ruwe vorm, die gepolijst moet worden om bruikbaar te worden.

Eigenwijsheid is eigenlijk het onhandige broertje van assertiviteit. Het is wilskracht met raketmotoren die nauwelijks te besturen zijn.

Een kind dat eigenwijs is, is zich erg bewust van wat het wil en niet wil, maar heeft te weinig vertrouwen dat anderen het beste met hem voor hebben. Hij heeft het gevoel dat hij zich moet verzetten tegen de wereld (of zijn ouders) om zijn ruimte en eigenheid te bewaren. En als dit een soort gewoonte is geworden, zal hij zich ook verzetten in situaties waarin dat niet handig is of waarbij dat eigenlijk niet nodig is.

De kern van de zaak is dat een eigenwijs kind zeer regelmatig het gevoel of de ervaring heeft dat het te weinig invloed en ruimte krijgt. Door zijn sterke wil en sterke drang om zelfstandig te zijn voelt het zich snel beperkt. Het wil zelfstandiger zijn dan zijn omgeving hem toelaat. Als het hiervoor niet de gelegenheid krijgt gaat het dwarsliggen, zich verzetten, weigeren, stampvoeten, oftewel eigenwijs doen.

Een eigenwijs kind wil ook zelfstandiger zijn dan zijn ontwikkelingsniveau hem toestaat. Een kind van vier wil bijvoorbeeld helemaal alleen naar school fietsen, terwijl dat door zijn nog gebrekkige verkeersinzicht erg onveilig zou zijn. Er is dus ook sprake van een iets te groot vertrouwen in het eigen kunnen. Dit levert een hoop frustraties op omdat niet alles wat ze willen ook lukt. Kinderen met een ‘eigenwijs karakter’ (een sterke wil) kunnen zich bij frustrerende situaties erg gaan vastbijten, omdat ze per se willen dat het lukt. Dit geweldige doorzettingsvermogen (of onvermogen om ‘op te geven’ of te berusten) kan gemakkelijk worden gezien als koppigheid.

Als hij wil weten of hij met een eenwieler door vuur kan rijden is een hard verbod wel op zijn plaats

Het is niet gek dat vooral en bijna alle peuters hier last van hebben, met het woordje ‘Nee!’ en het zinnetje ‘Zelf doen!’ als uiting ervan. Peuters gaan namelijk door een fase waarin ze gaan beseffen dat ze dat ze zelf iemand zijn, dat ze beslissingen over zichzelf kunnen nemen en dingen kunnen gaan ondernemen. Ze voelen daardoor een grote drang tot ontdekken en uitproberen, maar zijn er nog niet goed van op de hoogte dat er grenzen zitten aan wat kan en mag. Een peuter gaat daardoor onherroepelijk door een periode van grote frustraties en dit heeft de naam peuterpuberteit gekregen.

Eigenwijsheid is dus ook iets goeds

We hebben dus te maken met vier factoren die tezamen tot eigenwijs gedrag leiden:

  • Een sterke drang tot zelfstandigheid
  • Te weinig vertrouwen dat zijn omgeving hem de ruimte geeft die hij nodig heeft
  • Een te groot vertrouwen in het eigen kunnen
  • Een groot doorzettingsvermogen als iets niet lukt

Aan de eerste factor, de drang tot zelfstandigheid, kun je niets veranderen. En dat moet je ook niet willen. Dit is namelijk de hoofdfactor van eigenwijsheid. Die drang is de kracht die hem ertoe aanzet dat hij uiteindelijk wil uitvliegen. Als je deze drang de kop in zou drukken, woon je straks met je dertigjarige kind in huis. Tenzij dit je een reuzengezellig vooruitzicht lijkt, moet je dus niet proberen de eigenwijsheid uit te bannen, omdat je daarmee ook die wil om zelfstandig te zijn en het doorzettingsvermogen dwarszit. Dat levert alleen maar een gefrustreerd kind en even gefrustreerde ouders op. Dat moet je dan ook niet willen. Aan de andere factoren kun je gelukkig wel iets doen en dat maakt de eigenwijsheid al een stuk hanteerbaarder.

Hier gaan de beloofde tips dan ook over:

Anders met eigenwijsheid omgaan (6 Tips)

  1. Gebruik Apentaal. Om je kind beter naar te laten luisteren, zonder boos te worden of met straf te dreigen, moet je niet alleen met woorden communiceren, maar ook met je lijf, met je gezicht, met je ogen en met je stem. Als je als een ‘alfa-aap’ tegen je kind praat, dan bereik je ook zijn innerlijke aapje, het emotionele deel van zijn hersenen. En dát deel heeft veel invloed op zijn gedrag. Met Apentaal kun je grenzen stellen waar een kind naar luistert.
  2. Geef je kind meer ruimte. Meer keuzevrijheid en meer bewegingsvrijheid. Laat de controle een beetje los. Doe een stapje naar achteren. Geef hem zoveel mogelijk het idee dat hij zeggenschap heeft. Doe dit niet door hem alle vrijheid te geven, want dat kan hij nog helemaal niet aan. Een jong kind geef je keuzes (twee of drie is genoeg). Oudere kinderen kun je meer vrije beslissingsruimte geven. Bij onbelangrijke dingen kun je hem ook gewoon ‘rare’ beslissingen laten nemen. Waarom zou je het bijvoorbeeld verbieden als je kind kaas en hagelslag op één boterham wil?
  3. Ga na of je misschien een te grote controleneiging hebt. Heb je misschien te weinig vertrouwen in je kind? Of wil je alles graag in de hand houden omdat je bang bent dat de dingen anders misgaan? Beperk je je kind omdat het moeilijk vindt om de controle een beetje los te laten? Kan de eigenwijsheid van je kind misschien een reflectie zijn van je eigen controledrang? Zou het terecht kunnen zijn dat hij zijn ruimte probeert te claimen?
  4. Overdrijf het gevaar of de risico’s van situaties niet. Kijk kritisch naar je eigen inschatting van risico’s. Verbied je je kind iets omdat het werkelijk gevaarlijk is of heb je vooral geen zin in een huilend kind of vieze kleren? Natuurlijk moet je hem geen dingen laten uitproberen die gevaarlijk zijn. Als hij wil weten of hij met een eenwieler door vuur kan rijden is een hard verbod wel op zijn plaats. Als je hem verder niet zo vaak iets verbiedt, zal het hem ook zeer duidelijk zijn dat het ernst is als je een keer streng bent. Maar geef hem een alternatief. Vervang de eenwieler door zijn driewieler en het vuur door water uit de tuinsproeier en laat hem lekker zijn gang gaan.
  5. Laat hem (ongevaarlijke) dingen uitproberen in plaats van te verbieden. Als hij probeert te slapen met schoenen aan, zal hij snel genoeg merken dat dat helemaal niet comfortabel is en wil hij het niet meer. Ervaring komt veel beter binnen dan woorden (zeker als hij regelmatig beperkende woorden hoort). Als je het hem verbiedt, wordt het bovendien een verboden vrucht en daardoor wil hij het alleen maar meer. En stel dat hij lekker slaapt met schoenen, laat hem dan lekker met schoenen slapen. Misschien gaan de lakens dan snel kapot, maar dan heeft hij ook een duidelijk zichtbaar bewijs dat het geen goed idee is. Hoe erg is het als er af en toe iets sneuvelt? Door hem dingen te laten uitproberen, loopt hij ook regelmatig tegen de grenzen van zijn mogelijkheden aan en krijgt hij een realistischer beeld van wat hij wel en niet kan.
  6. Wees los waar het kan maar duidelijk als het moet. Als je je gezag moet laten gelden (en dat is meestal niet zo vaak), doe dat dan ook. En doe het duidelijk. Laat er geen twijfel over bestaan dat je het meent en dat er geen ruimte is voor iets anders. Als je normaal gesproken wel ruimte geeft, komt de boodschap extra duidelijk aan.

Als je dit doet, geef je eigenwijze kind de ervaring dat hij er vertrouwen in kan hebben dat je hem de ruimte geeft die hij nodig heeft. Hierdoor zal zijn drang om dwars te liggen in allerlei situaties sterk afnemen. Door hem dingen te laten uitproberen kan hij ervaren waar de grenzen liggen. Dingen ervaren is veel krachtiger dan dingen verteld krijgen. Een kind leert er ook veel meer van.

Het zijn deze waardevolle ervaringen die de ruwe eigenwijsheid polijsten tot nuttige zelfstandigheid. De peuterpuberteit verdwijnt er niet door, maar wordt wel hanteerbaarder. En je legt wel een goede basis voor de rest van het leven van je kind.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *