Grenzen stellen

Grenzen stellen: Word een alfa-aap!

 

Grenzen stellen is erg belangrijk in de opvoeding. Maar niet om een kind in het gareel te krijgen, zoals veel mensen denken. Grenzen hebben een heel andere functie…

Grenzen stellen is namelijk belangrijk om een veilige, overzichtelijke wereld te maken voor het kind. Als hij kan rekenen op een ouder die duidelijk aangeeft wanneer hij ergens te ver in gaat, dan hoeft hij niet meer de hele tijd op te letten wat wel en niet mag en wat wel en niet veilig is. Dan gaat de lol van onderzoeken er namelijk al gauw af. Met een transparante ouder is hij dus veel vrijer om te onderzoeken en te ontdekken.

Ook als je géén grenzen stelt gaat de lol eraf. Als je alles mag kom je als kind namelijk veel te vaak in gevaarlijke en enge, onprettige situaties terecht door je onderzoeksdrang. Weet een driejarige veel dat een schilmesje super scherp is?!

Vergelijk het met een zwembadje: In een klein opblaaszwembadje met dertig centimeter water is water ontzettend leuk voor (bijvoorbeeld) een peuter. Maar in de grote oceaan is het doodeng (en gevaarlijk). In het zwembadje zal de peuter gaan kijken wat hij allemaal kan met en in het water. In de oceaan zal hij alleen maar doodsbang zijn.

Ook is het goed als je van jongs af aan af en toe tegen beperkingen aan loopt. Beperkingen horen bij het leven en daar moet je mee leren omgaan. Vooral met de frustraties die erbij horen. Dat betekent trouwens niet dat je expres dingen moet gaan verbieden met als doel je kind te frustreren. Dan zit je hem onnodig in de weg. Maar nooit grenzen stellen en je kind helemaal vrij laten is óók niet goed voor een kind.

Rationeel of emotioneel

Grenzen stellen is dus belangrijk, maar veel ouders vinden het moeilijk, misschien jij ook wel. Je doet je best, maar je kind ‘luistert gewoon niet’. En je hebt vaak ook geen zin om ‘de hele tijd boos te moeten worden’. Het kan heel goed zijn dat je het onbewust verkeerd aanpakt. Misschien omdat je te rationeel bent, of juist omdat je te emotioneel bent in je communicatie.

De rationelen

Rationele ouders proberen hun kind vooral met woorden te vertellen waar de grens ligt. Ze willen graag redelijk zijn en het intellect van het kind aanspreken. En daar is op zich niets mis mee. Maar ze vergeten daarbij makkelijk hun boodschap kracht bij te zetten met hun lichaamstaal, mimiek (gezichtsuitdrukkingen) en stem. De boodschap komt daardoor bij het kind niet aan in het emotionele deel van zijn hersenen. Terwijl juist dit deel veel invloed heeft op zijn gedrag. Hoe jonger het kind, hoe meer dit nog geldt.

De emotionelen

Emotionele ouders kunnen vooral hun grenzen aangeven met emotie. Door erg boos te worden. Ze verliezen hun kalmte. Dit komt wél heel duidelijk binnen bij het kind en in zijn emotionele brein. Maar toch werkt deze manier ook niet goed. Dat komt doordat een kind zich niet veilig voelt bij een ouder die zijn zelfbeheersing verliest. Het kind raakt gestrest. En als je gestrest bent, leer je veel minder goed. Het kind houdt zich misschien eventjes gedeisd, maar heeft weinig echt opgestoken van de situatie. En gaat dus de volgende keer weer gemakkelijk in de ‘fout’. De kans dat het kind overstuur raakt en óók emotioneel reageert is nog veel groter, waardoor de situatie alleen maar erger wordt.

Rationeel beginnen en emotioneel ontploffen

Veel ouders zijn niet óf het één óf het ander. Vaak ben je beide. Als de rationele manier niet werkt, raak je gemakkelijk gestrest. Als je de frustraties inhoudt, door redelijk te blijven, bouwt er zich een spanning in je op. Als het kind te lang blijft weigeren te ‘luisteren’, is de kans groot dat je ontploft in een woedeaanval.

Apentaal

Je kunt daarom veel beter gebruik maken van ‘Apentaal’. Oftewel de lichaamstaal van een leider-aap gebruiken om je boodschap kracht bij te zetten. Apen zijn namelijk ontzettend goed in communiceren door middel van hun lijf. Ze kunnen niet praten, dus ze moeten wel! Ze gebruiken daarvoor hun houding, de toon van hun stem, hun ogen. En wij zouden dat ook veel meer moeten doen! Vooral bij kinderen.

Ons brein lijkt namelijk nog heel erg veel op dat van een aap. Vooral het emotionele deel ervan reageert nog ontzettend sterk op ‘apentaal’. En omdat dit deel zo’n grote invloed heeft op ons gedrag, zeker bij kinderen, kunnen we hiermee veel makkelijker en op een prettiger manier ons kind sturen. Zónder heel boos te hoeven worden. Gewoon doordat we heel duidelijk communiceren.
Opvoedproblemen verminderen of voorkomen

Veel opvoedproblemen ontstaan door onduidelijke manier van grenzen stellen. Ga maar na, als de boodschappen van zijn ouders niet goed bij een kind aankomen, kan het net lijken of hij niet luistert. Als dat vaker voorkomt, kun je als ouder je gemakkelijk wat bozer gaan benaderen. Zo van: hij/zij luistert niet als ik iets normaal vraag. Je gaat misschien (onbewust) geloven dat je kind opzettelijk dwars is. Daardoor kan er ook een soort irritatie in je stem komen.

Als je een kind regelmatig negatief wordt benaderd, dan kan hij het gevoel krijgen dat ie ‘niks goed kan doen’ of gaan denken dat hij blijkbaar lastig is (‘waarom zou papa of mama anders zo tegen me praten?’). Dit kan voor een negatief zelfbeeld zorgen, wat vaak tot gedragsproblemen leidt. Of een kind gaat zich erdoor van zijn ouders afkeren en… minder goed luisteren. Waardoor de ouders nog negatiever worden en het kind zich nog meer afkeert, enz.. Je kunt je misschien wel voorstellen hoe dat een neerwaartse spiraal in gang kan zetten die tot echte opvoedproblemen leidt.

Met Apentaal voorkom je dit, doordat je heel duidelijk bent in o.a. in het stellen van grenzen. Op een manier die goed bij een kind binnenkomt, zodat hij er ook iets mee doet. Daardoor krijg je het gevoel dat je kind goed naar je luistert en zul je nog positiever met je kind om kunnen gaan. Zo zet je dan een opwaartse spiraal in gang. Waardoor je een goede band met je kind houdt (of nog beter wordt) en je kind een gezond zelfbeeld krijgt.

Een emotioneel wijzer kind

Door heel duidelijk te communiceren op een manier die ook de emoties aanspreekt, geef je je kind ook een veel beter kans om te leren over emoties. Doordat jij transparanter bent, kan hij zich beter leren in je inleven. Hij ziet namelijk veel duidelijker wat er in je omgaat en kan daardoor emoties veel beter koppelen aan situaties en gebeurtenissen. Dit draagt enorm bij aan zijn sociale vaardigheden die zijn succes in het leven kunnen helpen.
De alfa-aap worden die je kind graag als ouder wil

Als je als een alfa-aap (de leider) weet te communiceren, geef je je kind ook een heel veilig gevoel. Kinderen hebben namelijk een grote behoefte aan een sterke leider. Een sterke leider verbiedt namelijk niet alleen, maar beschermt ook, als dat nodig is. Je kunt erop terugvallen. Hij zorgt ervoor dat het veilig genoeg is om lekker te spelen en te ontdekken.

Een leider-aap word je niet (alleen) door wát je zegt, maar vooral door hóe je het zegt. Als je apentaal onder de knie weet te krijgen, wordt opvoeden een heel stuk gemakkelijker!

Mijn kind is verwend

Help, mijn kind is verwend!

 

Een verwend kind hebben is voor veel ouders een schrikbeeld. Iets wat ten kost van alles voorkomen moet worden. Maar bij pogingen verwendheid te voorkomen is het gemakkelijk om schadelijke dingen te doen of te zeggen.

Als je verwendheid per se wilt voorkomen kun je de neiging hebben om álles wat een kind wil met wantrouwen te bekijken en om huiverig te zijn om je kind te geven waar het op één of andere manier om vraagt. Maar daardoor kun je gemakkelijk voorbij gaan aan belangrijke behoeften van je kind. Daarom is het goed om beter te kijken naar verwendheid.

Het is goed om iets te willen

Ten eerste is het belangrijk om te beseffen dat er niets mis is met iets willen. Dingen willen en je bewust zijn van wat je wil is een belangrijke, misschien wel de belangrijkste drijfveer die een mens heeft. Als je iets wil, ga je manieren bedenken om het te krijgen. Je krijgt energie om je doel te bereiken. Alleen als je iets níet wil, maar van jezelf móét, heb je motivatie nodig om jezelf in gang te zetten. Mensen die zich bewust zijn van wat ze willen en niet met zichzelf in conflict zijn als ze iets willen, hebben een veel grotere kans om succesvol te zijn in het leven (wat niet gelijk staat aan veel geld of een hoge maatschappelijke status hebben).

Innerlijk kompas

Door heel erg gespitst te zijn op verwendheid zul je het gedrag dat erop duidt dat je kind iets wil heel regelmatig bestraffen of negeren. Ook als je kind wil dat zijn behoeftes bevredigd worden. Omdat een kind zijn ‘willen’ en zijn gedrag nog niet uit elkaar kan houden vat hij de bestraffing of het genegeerd worden op als een afkeuring van zijn wíllen. Hij zal het ‘willen’ gaan zien als iets slechts. Als je regelmatig zijn behoeften negeert, zal hij gaat denken dat zijn behoeften niet de moeite waard zijn. Zo raakt hij vervreemd van zijn drijfveren en zijn behoeften en neemt zijn kans op succes in het leven af. Hij raakt zijn ‘innerlijke kompas’ een beetje kwijt.

Dan maar alles geven?

Betekent dit dat je een kind alles moet geven wat hij wil? En dat je al zijn behoeften direct moet bevredigen? Nee, dat betekent het niet. Iets willen en je hiervan bewust zijn is iets anders dan eisen of verwachten dat je het ook daadwerkelijk krijgt. Een kind moet leren omgaan met de frustraties die nu eenmaal horen bij het ‘willen’ en het niet krijgen van wat je wilt. En het leven biedt meer dan genoeg frustrerende momenten om hiermee te leren omgaan. Maar je moet je kind niet met meer frustraties opzadelen dan nodig, door stelselmatig zijn ‘willen’ te blokkeren of af te keuren, om hem maar niet verwend te maken. Dat is het kind met het badwater weggooien.

Een kind moet ook leren dat je niet alles wat je wilt moet najagen. Egoïstische doelen nastreven, zonder rekening te houden met anderen, zal ervoor zorgen dat je relaties met andere mensen verslechteren en dat is niet wenselijk. Dat betekent dat je hem heel goed iets kunt verbieden als hij iets wil wat schadelijk is voor hemzelf of anderen. Het hoeft alleen niet samen te gaan met een moreel oordeel over het ‘willen’ zelf.

Behoeften hoeven ook niet altijd direct bevredigd worden (hoe ouder het kind is, hoe meer dat geldt). Het moet een kind wel altijd (of zo vaak mogelijk) duidelijk zijn dat de behoefte erkend wordt en uitgelegd krijgen waarom de bevrediging wordt uitgesteld. Ook moet een kind erop kunnen vertrouwen dát er in zijn behoefte voorzien wordt en wanneer dat ongeveer zal gebeuren. Als dat niet het geval is, zal een kind onherroepelijk beter zijn best doen om gehoord te worden en dat zien we gemakkelijk als verwend gedrag, terwijl het een onhandige schreeuw om aandacht is.

Wat verwendheid werkelijk is

Verwendheid heeft eigenlijk niets te maken met willen. Verwendheid is het niet kunnen omgaan met de frustraties die horen bij het niet krijgen. En daar leer je niet mee omgaan als je steeds bestraft wordt als je deze frustraties voelt en uit. Verwendheid is ook het missen van de vaardigheden om op een andere manier dan drammen, zeuren en manipuleren je doel te bereiken. Het is dan ook niet het ‘willen’ dat moet worden áfgeleerd om verwendheid te voorkomen. Het zijn deze vaardigheden die moeten worden áángeleerd.

Mijn kind wil niet eten

Help, mijn kind wil niet eten!

 

Twee zaken zijn belangrijk om eetproblemen te begrijpen (en op te lossen). Ten eerste dat eten eng is, want mogelijk gevaarlijk. En ten tweede dat eten (of eigenlijk níet eten) een uitstekend machtsmiddel is om iets duidelijk te maken aan je ouders als je nog niet zo goed bent met woorden.

Eten gevaarlijk?

Sinds wanneer is eten iets gevaarlijks? Je hebt toch eten nodig? Niet eten is dan toch veel gevaarlijker? Eten is eng als je het vanuit het gezichtspunt van een klein kind bekijkt. Ga maar na: De eerste maanden van je leven krijg je je voedsel via de navelstreng direct in je bloed afgeleverd. Als, na de geboorte, deze luxe voorbij is, kun je rekenen op heerlijk zoete melk, die perfect op lichaamstemperatuur uit je moeders borst komt.

Maar daarna moet je opeens dingen gaan eten die je niet kent. Die hard kunnen zijn en waarin je je kunt verslikken. Dingen waar je ziek van wordt, omdat je afweersysteem nog niet optimaal werkt. Of dingen die te koud zijn, of juist te heet, waardoor je je mond kan verbranden. Of, nog erger, dingen die VIES zijn, voor je ongeoefende smaakpapillen (weet je nog, de eerste keer dat je een olijf at, of een slok koffie dronk? Brrr!).

“Wat zou je zelf doen als iemand je heeft vastgegespt in een stoel en je probeert te dwingen om iets te eten wat je niet helemaal vertrouwt?”

 

Eten is dus iets wat een beetje verdacht is voor een kind. Griezelig en niet zondermeer te vertrouwen. Een kind dwingen om iets te eten heeft dan ook ontzettend weinig zin. Wat zou je zelf doen als iemand je heeft vastgegespt in een stoel en je probeert te dwingen om iets te eten wat je niet helemaal vertrouwt? Je mond stijf dichthouden en proberen weg te komen, toch?

Is dat niet precies wat een kind doet in zo’n situatie. Een kind is dus eigenlijk superverstandig bezig door te weigeren. Zeker als hij eens een nare ervaring heeft gehad met eten. En zou je je er de volgende keer dat je weer in die stoel vastgezet wordt geruster op voelen? Of juist nog meer wantrouwen hebben en nog gespannener zijn?

Waarom we vaak toch dwingen

Ouders willen het graag goed doen en proberen hun kind gevarieerd te laten eten. Ze willen namelijk dat hun kind gezond is en blijft. Terwijl een kind juist het liefst alleen maar eet wat hij kent en waarvan hij door ervaring weet dat het veilig is. Deze verschillende gezichtspunten staan met elkaar op gespannen voet. Een niet-etend kind zorgt voor angst bij ouders. “Hij moet eten, want anders…” Allerlei doemscenario’s liggen op de loer. Het zijn deze doembeelden en de stress die ervoor zorgen dat ouders gaan dwingen. En dat verergert de problematiek dan vaak juist.

Geef je kind de tijd

Hoe minder druk je op een kind legt met eten, hoe groter de kans is dat hij op een gegeven moment, soms pas na vijftien keer proberen, gaat eten wat je hem aanbiedt. Je biedt hem gewoon steeds een stukje broccoli aan. Wil je kind het na een klein beetje aandringen niet, dan geef je hem het eten wat hij wel wil (wat hij kent en vertrouwt). De volgende keer probeer je het weer. En nog een keer. Maak je niet teveel zorgen over zijn gezondheid. Dát hij eet is voor de korte termijn veel belangrijker dan wát hij precies eet. We zijn evolueert zonder supermarkten waarin allerlei voedsel altijd beschikbaar was, dus een tijdje een wat eenzijdig diëet is niet direct een gevaar.

Door van hetzelfde bordje te eten als je kind, kun je hem ook het vertrouwen geven dat het voedsel veilig is. Zorgen voor een gezellig sfeer kan ook helpen om je kind eten te laten associëren met iets goeds. Het kan wat omslachtig overkomen om je kind zonder dwang te laten eten, maar vaak is een omweg nemen een efficiëntere manier om je doel te bereiken dan de directe route.
Macht

Niet eten is, vooral voor iets oudere kinderen, zoals gezegd een perfect machtsmiddel. Als je je ouders iets duidelijk wilt maken, op een manier die ze niet kunnen negeren, dan moet je gewoon weigeren te eten. Je krijgt ze er bijna gegarandeerd mee op de kast. Maar wat wil een kind op deze manier dan zo graag overbrengen?

Zeggenschap

Niet eten bij oudere kinderen kan heel goed een teken een gevoeld tekort aan autonomie of zeggenschap. Ofwel tijdens het eten, doordat hij zich gevangen voelt aan tafel (vastgegespt of door die ontzettend stomme regel dat je aan tafel moet blijven zitten tot iedereen klaar is met eten, terwijl er nog zoveel interessants valt te beleven in de wereld). Of misschien heeft het kind meer in het algemeen het gevoel te weinig invloed te hebben op zijn eigen leven. Wordt hij voor zijn gevoel veel te veel beperkt.

Het kan dan ook de moeite lonen om in plaats van het eetprobleem direct aan te pakken, kritisch te kijken naar hoeveel je je kind beperkt of dwingt en of dit wel past bij zijn ontwikkeling(sbehoeften). Natuurlijk is het altijd goed om medische oorzaken, zoals allergieën, ziekten of reflux, uit te sluiten bij eetproblemen.

Kort gezegd komt het erop neer dat angst en zorgen bij eetproblemen tot ‘paniekreacties’ leiden. De paniekreacties leiden tot krampachtige maatregelen die weer leiden tot grotere eetproblemen. Met als gevolg meer paniek, enzovoorts. Kalm blijven en je kind de tijd geven om aan nieuw eten te wennen is het beste wat je kunt doen en uiteindelijk de snelste manier om je kind te leren van alles te eten. Misschien gaat je kind niet alles eten, maar dat hoeft ook niet. Als het maar gevarieerd genoeg is.

Mijn kind wil niet slapen

Help, mijn kind wil niet slapen!

 

Een kind dat niet wil (of kan) slapen of niet in zijn bed wil blijven is een veelvoorkomend probleem dat ouders vaak hoofdbrekens geeft. Vaak worden er dan ‘supernanny’ methodes toegepast, zoals steeds maar weer in bed leggen (in gevallen dat het kind eruit komt). Maar dat gaat een beetje voorbij aan het feit dat er een reden is dat het kind niet kan of wil slapen. Redenen die niet genegeerd moeten worden.

Daarom in dit artikel:

De vijf meest voorkomende redenen voor slaapproblemen bij kinderen

Nog niet moe

We beginnen met de meest voor de hand liggende oorzaak van niet willen of kunnen slapen bij kinderen: Het kind is gewoon nog niet moe genoeg om te slapen. Net zoals je niet wilt, of zelfs kunt, eten als je geen honger hebt, zo kan je lichaam ook niet slapen als het nog niet moe is. Een mens kan niet gedwongen worden om te slapen. Je kunt een kind wel ‘trainen’ om rond een bepaalde tijd moe te worden, door een vast ritme te hebben.

Nog niet moe genoeg zijn om te slapen kan allerlei oorzaken hebben. Misschien past de bedtijd niet bij het natuurlijke ritme van het kind en wordt het te vroeg in bed gelegd. Misschien drinkt het laat nog cola of chocolademelk (of andere dranken met cafeïne). Ook beeldschermen van tv, computer, tablet of telefoon kunnen een reden zijn waarom een kind nog lang wakker blijft. Schermen geven veel prikkels die de hersenen wakker houden, maar ook het licht van het scherm doet dat. Drukke spelletjes tot vlak voor bedtijd zorgen voor teveel activiteit. De hersenen en het lichaam hebben tijd nodig om in de slaaptoestand te komen.

Alleen slapen

Vooral bij jonge kinderen kan het feit dat ze alleen in een kamertje liggen de oorzaak van slaapproblemen zijn. Een jong kind niet ‘gemaakt’ is om alleen te slapen. Baby’s, dreumesen, peuters en kleuters alleen laten slapen is een betrekkelijk modern en voor een groot deel westers verschijnsel. Het grootste deel van onze menselijke (en premenselijke) geschiedenis hebben kinderen niet alleen geslapen en ook in veel niet-westerse culturen gebeurt het niet. Het is dus onnatuurlijk en kan angstigheid veroorzaken. Om te kunnen slapen moet je lichaam en je brein ontspannen zijn. Als je je eenzaam en verlaten voelt in bed, krijgt de slaap niet gemakkelijk vat op je.

Overprikkeld

Soms is een dag zo druk geweest (ook al was het ‘leuk druk’) dat de hersenen overprikkeld geraakt zijn. Dit kan gebeuren na een verjaardagsfeestje, na een dag tv kijken of na een dagje dierentuin. Het brein heeft dan meer prikkels te verwerken gehad dan het aankan. Het loopt dan over zoals een gootsteen die verstopt zit terwijl de kraan nog loopt. Het hoofd van het kind is dan als het ware te vol om te kunnen slapen. Het duurt dan veel langer totdat de nodige rusttoestand bereikt is.

Emotionele spanningen

Ook kleine kinderen kunnen piekeren, zij het op hun eigen niveau. Zich zorgen maken over dingen die gebeurd zijn die dag, waardoor ze zich onveilig voelen of verdrietig. Soms kunnen het heel kleine dingen zijn, bijvoorbeeld als zijn vader of moeder onterecht boos op hem werd en dit niet goed gemaakt is. Of ruzie met een vriendje. Een opmerking over dieren die dood gaan kan een plotseling besef geven dat de poes kan doodgaan, ook al gaat dat waarschijnlijk nog jarenlang niet gebeuren. Er kan een hoop omgaan in een kinderhoofd, wat voor slapeloosheid kan zorgen. Praten om erachter te komen waar het kind mee zit kan en het daarna geruststellen kan een hoop schelen.

Te weinig affectie of gezelligheid

Kinderen hebben een grote behoefte aan verbondenheid met hun ouders. Aan echt contact. Ook, of misschien vooral, lichamelijk contact. Dit is voor een kind een teken dat het goed zit met de band tussen hem en zijn ouders. Dat hij zich geen zorgen hoeft te maken of er wel voor hem gezorgd wordt. Als er weinig aandacht is voor een kind, kan zich dat vertalen in een hunkering naar contact. Wil het kind dichtbij zijn ouders zijn (en niet alleen in bed liggen), waardoor het de aanwezigheid van zijn ouders opzoekt. Voldoende liefdevol contact, vooral vlak voor het slapen gaan) kan veel schelen bij het oplossen van slaapproblemen.

Niet alle redenen zijn even waarschijnlijk bij alle leeftijden. Als een baby niet wil slapen, zal het waarschijnlijk niet liggen piekeren. En als een kind van twaalf niet kan slapen, is het waarschijnlijk niet omdat het bang is om alleen op een kamer te liggen. Maar met deze lijst is het misschien gemakkelijker te achterhalen waarom je kind slaapproblemen heeft.

Mijn kind heeft driftbuien

Help, mijn kind heeft driftbuien!

 

Van een stampvoetende, krijsende, met spullen gooiende peuter word je niet blij. Vooral niet als het bijvoorbeeld in de supermarkt gebeurt. Toch zijn driftbuien een heel normaal en begrijpelijk verschijnsel in een bepaalde periode van de ontwikkeling van een kind.

Een baby is nog hulpeloos en afhankelijk en heeft eenvoudige behoeften: eten, slapen, warm gehouden worden en liefde krijgen. Dat is het wel zo’n beetje. Veel meer wil en kan een baby niet. Zijn ouders zorgen voor hem en omdat hij nog niet in staat is om voor al te veel problemen te zorgen met zijn gedrag, hoeven zijn ouders hem nauwelijks te beperken. ‘Op te voeden’.

Meer wíllen is niet meteen meer kúnnen

Hoe anders wordt dat als een kind ouder wordt. Zijn mogelijkheden nemen enorm toe. Hij kan lopen of kruipen, een beetje praten, zelf dingen pakken en hij wil meer dan alleen verzorgd worden. Hij wil de wereld ontdekken. Invloed uitoefenen op zijn omgeving en op zichzelf. Maar omdat hij nog erg onhandig en klein is, is lang niet alles wat hij doet of wil verstandig. Dus gaan zijn ouders hem in van alles beperken. En in gevallen dat hij wel mag doen wat hij wil, schieten zijn vaardigheden regelmatig te kort om uit te voeren wat hij in zijn hoofd heeft.

Je wilt als peuter dus van alles, maar een heleboel mag of lukt niet. En dat maak je allemaal voor het eerst mee. De peuterfase wordt daarom gekenmerkt door frustratie. En driftbuien en verzet tegen de mensen die je eerst verzorgden en vertroetelden en je nu opeens dingen verbieden en je dwingen horen daarbij. Driftbuien zijn de beste manier voor een jong kind om met frustratie om te gaan. Een moreel oordeel over dat gedrag, het afkeuren als iets slechts, is niet op zijn plaats.

Omgaan met driftbuien

Toch is dat wat veel ouders doen: met veel kracht optreden tegen driftbuien. Ze in de kiem smoren. Of juist volledig toegeven aan de wil van het kind om die vreselijke uitbarstingen te voorkomen. Beide opties zijn geen echte oplossing voor het probleem. In het geval van toegeven geef je het kind te weinig grenzen, wat voor angst en/of boosheid kan zorgen. Bovendien leer je je kind dat een hoop stampij maken helpt om zijn zin door te drijven.
Afleren veroorzaakt meer frustratie

Door driftbuien hardhandig de kop in te drukken leert een kind dat hij niet deugt als hij iets wil. Zijn driftbuien zijn immers een direct gevolg van zijn ‘willen’. Een kind kan die zaken nog niet scheiden. Daar bovenop zadel je je kind met een extra frustratie op. Door driftbuien af te kappen krijgt je kind de boodschap dat frustratie niet mag. De volgende keer dat hij gefrustreerd is zal hij dit gevoel proberen te onderdrukken. Wat uiteraard niet lukt, waardoor hij gefrustreerd raakt over het gefrustreerd zijn.
Moet een kind zich eigenlijk voorbeeldig gedragen?

Het is goed om te beseffen dat een peuter zich nog niet voorbeeldig hoeft te gedragen (en eigenlijk hoeft niemand dat). Als je kind zichzelf, anderen of waardevolle spullen geweld aan doet of in gevaar brengt, moet je natuurlijk ingrijpen, maar verder kun je veel beter begripvol en kalm zijn dan boos en veroordelend. Het kan helpen om je af te vragen waarom je eigenlijk zo boos wordt als je kind driftig is. Is het omdat je bang bent om de controle te verliezen over je kind? Zie je het al van kwaad tot erger worden? Ben je bang voor het oordeel van anderen, dat je geen goede ouder zou zijn? Is het omdat je gelooft dat je kind gehoorzaam moet zijn? Dit soort ideeën kunnen je stress geven en deze stress bepaalt of beïnvloedt je reacties.

Kalmte en begrip + duidelijkheid is de beste reactie

Als je dit voor jezelf hebt uitgevogeld is de kans veel groter dat je rustig kunt blijven en kalmer kunt reageren. Je kunt je kind gefrustreerd laten zijn, zonder dat het je al te veel stress geeft en hierdoor kun je zijn gevoel voor hem verwoorden, wat hem leert om ermee om te gaan. Je kunt hem helpen om voor elkaar te krijgen wat hij probeert te doen, zonder het voor hem op te lossen (laat hem maar lekker een beetje prutsen). En je kunt op een rustige manier voet bij stuk houden en hem uitleggen waarom je hem iets verbiedt. Zijn driftbuien zullen dan minder heftig zijn en minder vaak voorkomen.

Driftbuien zijn dan geen probleem meer, maar iets waar je kind ontzettend veel van kan leren. Leren omgaan met frustratie is een ontzettend belangrijke vaardigheid voor het leven, aangezien we als mensen vaak meer willen dan mogelijk is en we regelmatig in dingen gedwarsboomd worden. En leren omgaan met frustratie leer je niet door gevoelens (en daaruit voortvloeiend gedrag) te veroordelen of te negeren.

consequent zijn

De waarheid over consequent zijn

 

Consequent zijn. Het lijkt bijna de heilige graal van de opvoeding en het wordt ouders regelmatig ingeprent dat ze consequent moeten zijn. Maar wat is het precies en is het nu echt zó belangrijk?

Consequent zijn heeft alles te maken met regels. Je bent consequent als je vasthoudt aan de regels die je stelt en ze altijd, zonder uitzondering, in alle gevallen hetzelfde toepast. Als je hebt gedreigd met en straf en deze vervolgens ook uitvoert als je kind de regel overtreedt. Dat is zo’n beetje de gangbare opvatting over consequent zijn.

Waarom en wanneer consequent zijn belangrijk is

Het is, als het gaat om consequent zijn goed om te snappen wat het nut van regels is. Kort gezegd komt het erop neer dat regels een kind helpen de wereld te begrijpen en dienen ze niet om hem te beperken of om zijn gedrag te ‘trainen’ om aan sociale normen te voldoen.

Consequent zijn en regels zijn daarom vooral belangrijk voor heel jonge kinderen, die nog niet goed uit de voeten kunnen met de complixiteit van de wereld met al haar uitzonderingen en nuances. Naarmate een kind ouder wordt, is het steeds beter in staat om de algemenere ideeën áchter een regel te snappen, zelf zijn eigen gedrag te reguleren en zich in te leven in anderen. De noodzaak om regels te hebben en consequent te handelen wordt dan steeds kleiner.

Om een jong kind een gevoel van veiligheid te bieden is het goed om behoorlijk voorspelbaar te zijn. Maar dat betekent niet dat je krampachtig en honderd procent consequent moet zijn. Als je een ruime meerderheid in een soortgelijke situatie min of meer hetzelfde reageert is dat voldoende. Als jij tien keer een bord vastpakt in een restaurant en je brandt daarbij zeven keer je vingers omdat het bord heet is, dan ben je voortaan heus wel voorzichtig bij het vastpakken van een bord in een restaurant.

Regels kunnen heel benauwend gaan worden en de ontwikkeling remmen als je er strikt aan blijft vasthouden terwijl je kind ouder wordt. (Dit gebeurt vaak bij mensen die geloven dat een kind beperkt of gecorrigeerd moet worden en dat regels dáárvoor dienen.) Bovendien is het leven zelf ook niet altijd consequent en daar moet een kind ook mee leren omgaan. Als je altijd maar consequent zou reageren en je kind daar volledig aan gewend raakt, levert dat een enorme schok op als je kind de echte wereld betreedt.

Je bent geen consequent wezen

Jezelf de taak opleggen om altijd consequent te zijn zorgt voor veel krampachtigheid en stress en garandeert teleurstellingen en zelfverwijt. Je bent namelijk een mens. En mensen zijn zo veranderlijk als het weer. Allerlei omstandigheden kunnen ervoor zorgen dat je anders reageert dan ‘normaal’. Je zou zelfs kunnen zeggen dat er geen ‘normaal’ ís, omdat je gedrag (veel meer dan de meeste mensen beseffen), wordt beïnvloed door je omgeving, de context. Door wat eraan vooraf ging. Door een emotie, stemming of behoefte van dat moment. Door je energieniveau, etc. etc. Je bent simpelweg geen consequent wezen.

Het is daarom onnatuurlijk om altijd hetzelfde te reageren. Je zou een soort robot zijn. Volledig beheerst, zonder spontaniteit. Je kunt er beter voor zorgen om zoveel mogelijk ontspannen en in balans te zijn, op je gemak met jezelf. Om jezelf grondig te kennen, je ideeën over jezelf en opvoeden te onderzoeken en de niet-kloppende te laten vallen en oude pijn te helen. Dan is je authentieke reactie namelijk veel en veel vaker de ‘juiste’ reactie. Inlevend en sensitief. De context in beschouwing nemend. Met oog voor de behoeften van je kind en zijn belangen op langere termijn. Daar heeft je kind veel meer aan.

Vooral consistent zijn

Daarnaast wordt er in dit verband vaak iets minstens even belangrijkers over het hoofd gezien. Namelijk dat je eigen gedrag klopt met wat je je kind probeert te leren. Dus dat je niet boos schreeuwt dat hij lief moet zijn. Hem niet gestrest toesnauwt dat hij eens rustig moet doen. Dat je geen machtsmiddelen, zoals straf inzet om je kind te leren dat hij niet dominant moet zijn naar zijn vriendjes. Dat je niet zegt dat je van je kind houdt terwijl je hem regelmatig afwijst. Enzovoorts.

M.a.w. dat je eigen gedrag in lijn ligt met wat je je kind wil leren. Dat je voor jezelf geen uitzonderingen maakt voor regels die je voor je kind belangrijk vindt. Dat je niet met twee maten meet; één voor jezelf en één (een strengere) voor je kind. Want het is natuurlijk ontzettend verwarrend als je woorden iets anders zeggen dan je daden. En je kunt erop rekenen dat je kind minstens evenveel leert van je daden als van je woorden.

Een kind is een soort “gedragskopieermachine”. Op latere leeftijd kan je kind je ook als onrechtvaardig en hypocriet gaan zien en niet meer zoveel van je aannemen, als je eigen gedrag niet consistent is met wat je zegt. En dat is dan eigenlijk ook wel een beetje terecht.

Hou dus niet te sterk vast aan consequent zijn, alsof dat dé manier is om problemen te voorkomen. Het is niet zo belangrijk als sommige mensen je willen laten geloven. Het kan, als je er te strikt mee omgaat, zelfs problemen veroorzaken.

Een alternatief voor straffen en belonen

Opvoeden zonder te straffen of te belonen

 

Hoe laat je je kind zich goed gedragen? Dat is een vraag waar de meeste ouders zich (naast hoe zorg ik dat mijn kind gelukkig wordt?) veel mee bezig zijn. Straffen en/of belonen is een populaire methode van opvoeden. Soms lijkt het wel of dat een groot deel van opvoeding ís.
Straffen kan van alles zijn. Van een pets op de billen, op de ‘naughty-chair’ zetten, afkeuring laten blijken door je gezichtsuitdrukking of de toon van je stem, tot je teleurstelling of afwijzing letterlijk uitspreken. Belonen kan met stickers, snoep of speelgoed. Met complimentjes of een aai over de bol, etc.

Opvoeden met straf en beloning is een vergissing

Door middel van straffen en belonen stuur je het gedrag van je kind. In mijn ogen is dat echter geen opvoeden, maar gedragstraining. Opvoeden met straf en beloning vind ik een grote vergissing. Volgens mij kun je een kind veel beter gevoelig maken voor de werkelijke gevolgen van zijn gedrag en daarbij vertrouwen hebben in de aard van de mens om sociaal te willen zijn en het juiste te willen doen.

Wat straffen en belonen eigenlijk is…

Een kind straf geven betekent dat je hem een rotgevoel over zichzelf geeft als hij iets doet wat niet mag of hoort. Een kind een beloning geven betekent dat je hem een fijn gevoel over zichzelf geeft als hij voldoet aan de normen en verwachtingen.

Verdient een kind het echt om een rotgevoel over zichzelf te krijgen? Een peuter kan zich nog niet echt inleven in een ander. Kleuters zijn nog behoorlijk egocentrisch. Een tienjarige wordt nog sterk geregeerd door emoties. Verdienen ze daarom straf als ze een keer iets ‘verkeerds’ doen? Mogen ze zich alleen goed over zichzelf voelen als ze zich voorbeeldig gedragen? Of hebben ze gewoon altijd iemand nodig die invoelend en mild reageert?

Een spel met eigenwaarde

Een kind is van zijn verzorgers afhankelijk voor zijn overleving. Dat betekent dat afwijzing betekent dat hij gevaar loopt. Goedkeuring betekent dat hij veilig is. Voor een kind is dit heel serieus. Het is de reden waarom straf en beloning zo goed werkt om gedrag te sturen.

Je speelt daarmee echter een spel met zijn eigenwaarde. Je maakt zijn gevoel van eigenwaarde en veiligheid voorwaardelijk, terwijl deze onvoorwaardelijk zou moeten zijn, voor een vrij en gelukkig leven. Opvoeden met straf en beloning is daarmee geen gevoelige opvoeding.

Veel mensen blijven de rest van hun leven last houden van dit spel met hun eigenwaarde. Op een gegeven moment is dit zo normaal geworden dat we het onbewust en automatisch op onszelf gaan toepassen. Dan hebben we geen anderen meer nodig om ons te straffen en te belonen. Straf wordt schaamte. Beloning wordt een gevoel van zelfacceptatie en zelfvertrouwen.

We staan onszelf toe ons goed te voelen over onszelf of juist niet en geloven dat dát ons een goed persoon maakt. We vinden het normaal om ons te schamen. Zo blijven veel volwassenen gevangen in het idee dat regels iets echts zijn en blijft hun gevoel van eigenwaarde afhankelijk van wat ze doen. En leven ze een veel minder vrij leven dan mogelijk is.

Een alternatief voor straf en beloning

Maar straf en beloning is helemaal niet nodig om een kind op het rechte pad te houden. Het is onze natuurlijke gevoeligheid die ons tot goede personen maakt. Onze gevoeligheid voor de gevolgen van ons gedrag en onze neiging om sociaal te willen zijn.

Alles wat we doen heeft namelijk gevolgen. Echte gevolgen in de echte wereld. Je hoeft een kind eigenlijk alleen bewust te maken van deze gevolgen. Dat is straf en beloning genoeg. En deze komen nu niet van anderen. Je kind kan ze zelf zien als er niemand is om hem te straffen of te belonen.

Wij mensen wíllen van nature namelijk het goede doen en hebben een ingebouwde neiging om ons rot te voelen als we inzien dat we anderen iets aangedaan hebben. Daardoor hebben we, als volwassenen, geen straf of beloning en geen regels meer nodig om het ‘juiste’ te doen.

Een innerlijk kompas

Je helpt je kind op deze manier om een innerlijk kompas te ontwikkelen. Oog te krijgen voor de effecten van zijn gedrag op andere mensen, op zichzelf en zijn omgeving, in plaats van voor het oordeel van anderen.

Dit is wérkelijke gewetensontwikkeling. Een geweten dat altijd werkt (niet alleen als er kans is op straf of beloning) omdat zij gebaseerd is op de werkelijkheid. Je leert je kind zo te leren van de werkelijkheid. Een zeer nuttige vaardigheid. Je kunt je kind daarom veel beter wijzen op de werkelijke gevolgen van wat hij doet.

In plaats van je kind te belonen als hij zijn kamer heeft opgeruimd, door hem er bijvoorbeeld een compliment over te geven, kun je daarom beter zoiets zeggen als: “Lekker gevoel geeft dat hè, als je kamer weer helemaal netjes is”. En als hij zijn zusje geslagen heeft, kun je hem ervoor straffen, maar je doet er (zoals hopelijk inmiddels duidelijk is) veel beter aan door te zeggen: ”Kijk, je zusje is heel verdrietig door wat je gedaan hebt, dat vind je zelf vast ook niet fijn.” Om vervolgens te leren hoe je zoiets weer goed te maken.

Straf en beloning zorgt voor een ‘uiterlijk kompas’

Straffen en belonen maakt deze natuurlijke gevoeligheid juist kapot, doordat je een kind leert zich te richten op het oordeel van anderen in plaats van op de ‘echte’ gevolgen van wat we doen. Je leert een kind dingen te doen of laten op basis van wat het hem oplevert. Om iets te winnen (beloning) of juist iets te vermijden (straf).

Als er geen kans op een beloning is, is een kind vele minder gemotiveerd om iets te doen of uit te proberen. En als er geen of een heel kleine kans op straf kans is, houdt weinig een kind tegen om iets ‘verkeerds’ te doen. Een houding die bij veel te veel volwassenen nog steeds leeft, waardoor veel te veel mensen onverantwoordelijk omgaan met de natuur en andere mensen, in situaties waar dat geen straf oplevert.

Verlegen kind

Help, mijn kind is verlegen!

 

Een verlegen kind kan tot zorgen leiden, omdat verlegenheid geen eigenschap is die het leven gemakkelijker maakt. Verlegenheid kan behoorlijk in de weg zitten bij het halen van doelen. Kinderen die niet verlegen zijn hebben het over het algemeen gemakkelijker en kunnen gemakkelijker succes hebben in het leven. Maar wat is verlegenheid eigenlijk en wat kun je eraan doen?

Verlegenheid bestaat niet

Verlegenheid bestaat eigenlijk niet. Het ene verlegen kind is het andere niet. Verlegenheid is een naam die we hebben gegeven aan bepaald gedrag, maar het is op zichzelf niet echt iets. Er zijn drie eigenschappen die je kunt hebben die tot verlegen gedrag kunnen leiden. Behoorlijk verschillende eigenschappen die ook elk een andere aanpak vereisen.

De drie eigenschappen zijn:

  • Introversie
  • Langzaam wennend
  • Sociale (faal)angst

Ook een combinatie van deze eigenschappen is mogelijk. Hoe meer eigenschappen en hoe sterker aanwezig deze zijn, hoe ernstiger de verlegenheid waarschijnlijk is. Wat nooit helpt (wat de oorzaak van de verlegenheid ook is) is over het kind te praten alsof het een vaststaand feit is dat het verlegen is. Kinderen hebben namelijk de neiging om aan verwachtingen te voldoen. Dus al je regelmatig uitspreekt dat je kind zo verlegen is en zo onzeker, dan gaat het kind het geloven en zich ernaar gedragen door verlegen en onzeker te zijn.

Introvert

Niet alle mensen zijn hetzelfde. Je hebt als het ware verschillende menstypen. Eén van de belangrijkste indelingen die je kunt maken is de indeling extravert en introvert. De meerderheid van de mensen is extravert. Minder mensen zijn introvert. Als je extravert bent, voel je je over het algemeen prettiger als je in een groep bent dan als je alleen bent. Je vindt grotere groepen prettiger dan kleine groepjes of 1-op-1 contact. Je krijgt energie van onder mensen zijn en je verwerkt prikkels die binnenkomen niet heel diepgaand. Je bent meer naar buitengericht dan naar binnen. In onze maatschappij is extraversie tegenwoordig de norm. Als je niet extravert bent, word je al gauw als verlegen of soms zelfs een beetje saai gezien (wat natuurlijk onzin is)

Als je introvert bent, ben je liever alleen dan in een groep. Je hebt liever 1-op-1 contact en hebt liever een klein groepje mensen om je heen dan een grote groep. Als je alleen bent kun je je ‘batterij opladen’ en alle prikkels verwerken. Je bent naar binnengericht en verwerkt prikkels (en het effect dat ze op je hebben) diepgaand.

Introverte mensen kunnen gemakkelijk verlegen gedrag vertonen, omdat ze zich niet erg op hun gemak voelen in groepen. En omdat nieuwe mensen ontmoeten een hoop prikkels geeft (prikkels die diepgaand verwerkt moeten worden), blijven introverte mensen vaak liever bij wie ze al kennen. Nieuwe mensen ontmoeten kost veel energie (in plaats van dat het energie geeft, zoals bij extraverte mensen) en moet daarom enigszins spaarzaam gebeuren. Omdat introversie een aangeboren eigenschap is, waar je weinig aan kunt veranderen, kun je aan verlegenheid die voortkomt uit introversie weinig veranderen.

Wat belangrijk is bij een introvert kind, is dat je hem geen vervelend gevoel geeft over zijn introversie of zijn daaruit voortvloeiende verlegenheid. Acceptatie van zijn introversie is daarom heel belangrijk. Grapjes over zijn verlegenheid of hem pushen om ‘gewoon mee te doen’ zou vermeden moeten worden. Je kunt een introvert kind best stimuleren om een beetje extraverter gedrag te vertonen, zolang je zijn grenzen maar in de gaten houdt en respecteert en hem voldoende tijd geeft om nieuwe prikkels te verwerken en zijn batterij op te laden (wat veelal alleen moet gebeuren). Veel grote denkers waren introverten, dus je hoeft je geen zorgen te maken over deze eigenschap. Je hoeft er in onze extraverte wereld alleen maar iets meer rekening mee te houden.

Langzaam wennend

Mensen verschillen ook op een ander gebied van elkaar. De ene persoon went gemakkelijker aan nieuwe situaties dan andere. Ook dit is een aangeboren eigenschap.

Als je niet zo snel went aan nieuwe situaties en mensen, zal het ontmoeten van nieuwe mensen meer stress geven en meer energie kosten. Kinderen die langzame wenners zijn, zullen er daarom niet zo happig op zijn om nieuwe mensen te ontmoeten en die een beetje uit de weg gaan. Ook kijken kinderen die langzaam wennen liever eerste een tijdje de kat uit de boom, voordat ze zich in een situatie gaan mengen. Dit gedrag kun je gemakkelijk uitleggen als verlegenheid.

Zoals gezegd is hoe snel je went een aangeboren eigenschap. Je kunt er niet zo heel veel aan doen. Wel kun je een langzaam wennend kind wat meer stimuleren om nieuwe dingen uit te proberen. Wat je hierbij niet moet doen is pushen. Ook belachelijk maken of grapjes maken over het langzame wennen kun je beter niet doen, omdat dit voor een negatief zelfbeeld leidt, wat de ‘verlegenheid’ niet ten goede komt.

Wat je ook niet moet doen is teveel meegaan met het kind, door het zoveel mogelijk nieuwe situaties uit de weg te laten gaan, omdat je ziet dat het stress komt. Een kind dat langzaam op gang komt kan leren nieuwe situaties iets minder eng te vinden, maar dan moet het wel oefenen. Geef het kind hierbij voldoende tijd om te wennen en om ‘bij te komen’.

Sociale (faal)angst

Sociale (faal)angst is geen aangeboren, maar een aangeleerde eigenschap. Deze eigenschap kan zich wel gemakkelijker ontwikkelen als de eerste twee eigenschappen aanwezig zijn. Zeker als deze eigenschappen afgekeurd worden.

Sociale angst ontstaat door afwijzing. Door gedrag van het kind regelmatig af te wijzen ontstaat een negatief zelfbeeld en wordt het kind zich heel erg zelfbewust. Zelfbewustzijn kan heel erg in de weg zitten van natuurlijk, spontaan gedrag. Als een kind het gevoel heeft dat het niet deugt of dat het minder waard is, of stom, dan zal het niet graag contact leggen met anderen, uit angst dat zij hem ook zullen afwijzen of stom zullen vinden.

Omdat afwijzing gemakkelijk tot verlegenheid kan leiden (zeker bij introverte kinderen) is het belangrijk om je erg bewust te worden van de boodschapen die je je kind geeft. Verbaal, via woorden, of non-verbaal, via gedrag en gezichtsuitdrukkingen. Het laten blijken van teleurstelling of afkeuring moet je zoveel mogelijk vermijden. Ook grapjes maken over eigenschappen waar een kind niets aan kan veranderen heeft meestal geen gunstige effecten (tenzij het heel duidelijk relativerende grapjes zijn waaruit acceptatie spreekt). Ook boos worden over eigenschappen of gedrag dat te maken heeft met onzekerheid heeft negatieve effecten. Acceptatie is het sleutelwoord om verlegenheid door sociale faal(angst) te voorkomen of te ‘genezen’.

mijn kind is hooggevoelig

Waarom hooggevoelige kinderen gemakkelijker angstig worden (en hoe je dit kunt voorkomen)

Hooggevoelige kinderen lijken kwetsbaarder dan andere kinderen. Maar dat zíjn ze in werkelijkheid niet. Of eigenlijk ook weer wel, maar dat hoeft geen probleem te zijn. Een beetje verwarrend, maar hopelijk wordt dat in de loop van dit artikel duidelijker.

Hooggevoelige kinderen kunnen namelijk gemakkelijker angstig worden, maar als je begrijpt hoe dat komt, dan kun je maatregelen nemen om het te voorkomen. Of om te verhelpen als het al is gebeurt. Als dat je lukt, dan kan de hooggevoeligheid een kracht worden in plaats van een last.

Onze hersenen zijn programmeerbaar

Om te begrijpen waarom hooggevoelige kinderen gemakkelijker angstig kunnen worden, moeten we eerst een klein beetje begrijpen hoe onze hersenen werken. En dan met name de rol die onze amygdala’s spelen.

De amygdala’s zijn twee amandelvormige hersenstructuren die onze angst regelen. Ze onthouden namelijk donders goed de situaties en omstandigheden die angst (en andere emoties) veroorzaakten bij ons. Elke keer als we in de toekomst soortgelijke situaties meemaken herkennen ze deze als ‘enge situatie’ en geven ze het signaal ‘OH JEE! Dit zou weleens mis kunnen gaan!’ af.

Als wij op onze beurt ons gedrag op dit waarschuwingssignaal afstemmen (bijvoorbeeld door bang weg te lopen), dan vertellen we onze amygdala’s dat hun angstsignaal terecht was. Dit motiveert ze om de volgende keer nóg sterker te reageren op een soortgelijke situatie.

Stel je voor dat je een grote, gevaarlijk uitziende hond ziet. Je amygdala’s zeggen: ‘Oei, oppassen’. Oftewel, je voelt een beetje angst. Als je daardoor van de hond wegloopt om je achter een boom te verstoppen dan zeg je met je gedrag tegen je amandelvormige hersenonderdelen dat honden serieus gevaarlijk zijn. Waarom zou je je er anders voor verstoppen?

Je amygdala’s onthouden je reactie op de hond en zijn erop gebrand om je de volgende keer dat je een hond tegenkomt extra goed te waarschuwen. Ze geven dan  niet meer het signaal ‘een beetje bang’, maar ‘behoorlijk bang’. Als je je dan nog beter verstopt dan de vorige keer, omdat je meer angst voelt, dan programmeer je je amygdala’s om de eerstvolgende keer het signaal ‘PANIEK’ te geven. Enzovoorts.

Dit is natuurlijk een beetje een simpel voorbeeld, maar het is wel in essentie hoe onze hersenen leren om angstig te worden. De amygdala’s zijn bijna als een spier te trainen. Hoe vaker je oefent in bang zijn, hoe sterker de angstgevoelens worden. Dit geldt voor iedereen. Hooggevoelig of niet. Maar als je hooggevoelig bent, is dit systeem nog gemakkelijker te trainen.

Hooggevoelige kinderen zijn… gevoeliger

Hooggevoelige kinderen voelen namelijk subtielere signalen. Ook die van zichzelf. Dat is immers hun talent. Ze zijn zich dus bewuster van hun angstgevoelens. Anders gezegd, er is minder angst nodig om hen ervan bewust te maken dat ze zich bang voelen. Ook pikken ze gemakkelijker subtiele afwijzende signalen uit hun omgeving op. En voelen deze signalen bovendien sterker. Ze doen meer pijn.

Omdat ze zich van meer van hun eigen angstgevoelens en van afwijzende signalen van buitenaf bewust zijn zullen ze eerder hun gedrag erop afstemmen. Maar daarmee trainen ze hun amygdala’s ook harder. En daarmee zijn ze dus vatbaarder om angstig te worden. Ze ‘bodybuilden’ hun amydala’s als het ware. Hooggevoelige kinderen zijn dus vaak Arnold Schwarzeneggers op amygdala-gebied.

Gelukkig zitten die gekke neuronenklontjes niet heel ingewikkeld in elkaar en kun je ze bijna net zo gemakkelijk ook weer herprogrammeren. (Nou ja, het is iets lastiger om ze te ontspannen, omdat ze als taak hebben je veilig te houden. Daarom zijn ze geprogrammeerd om liever iets te vaak het signaal gevaar af te geven dan niet vaak genoeg. Dat laatste kan namelijk fataal zijn.) Maar herprogrammeren is te doen met de nodige alertheid en toewijding.

Herprogrammeren doe je met gedrag, niet met woorden

Dat herprogrammeren doe je met gedrag – amygdala’s reageren vooral sterk op gedrag en nauwelijks op gedachten. Jezelf vertellen dat een hond niet eng is, werkt niet voor je amygdala’s. Taal is niet aan ze besteed. Ze laten zich niet overtuigen door woorden, maar door daden.

Om ze te herprogrammeren ben je dus op gedrag aangewezen. Geruststellend gedrag dat zegt: “Die hond is ok, hoor! Kijk maar, ik aai hem zonder dattie m’n arm er tot m’n schouder af scheurt!” Als je dat een aantal keren doet – het liefst inderdaad zonder dat die hond je arm eraf rukt, anders werkt het niet – dan zullen je amygdala’s voortaan een stuk relaxter zijn in de buurt van een hond.

Kinderen kunnen zelf nog niet of nauwelijks verzinnen welk gedrag helpt om minder bang te worden. Bij een kind moet je dit gedrag dus voordoen of duidelijke instructies geven voor ‘herprogrammeergedrag’. En dan het liefst klein en simpel beginnen. Want dan is de kans op succeservaringen het grootst.

Van succeservaringen moet je het hebben. Dat is waar de amygdala’s van leren. Elke keer als een ‘enge’ situatie gewoon goed afloopt, worden de amygdala’s minder alert voor soortgelijke situaties. En als een situatie zelfs plezier oplevert (doordat de geaaide hond lief gaat spelen) dan gaat het helemaal snel.

Je kunt dit proces nog meer versterken door je kind bewust te maken van de succeservaring. Niet met een compliment (‘wat knap van je’) maar met positieve feedback (‘kijk, net durfde je het nog niet, en nu heb je het toch gedaan en het ging helemaal goed’). Hiermee programmeer je ook de andere delen van zijn hersenen om minder bang te worden.

Bij angst voor honden, bijvoorbeeld laat je je kind eerst een chihuahua aaien (met een beetje geluk herkent je kind zo’n beestje niet eens als een hond). Dit kun je dan stapje voor stapje opbouwen, tot zelfs die Rottweiler van de overbuurman geen probleem meer is. Zolang je weet dat hij te vertrouwen is, natuurlijk.

Vermijden van ‘enge’ situaties en beschermen tegen mogelijke kwetsingen is dus niet handig. Daarmee herprogrammeer je je hersenen niet. Je geeft ze geen kans om situaties anders te leren zien. En bovendien geef je daarmee onbewust de boodschap dat die situaties inderdaad gevaarlijk zijn – waarom zou je ze anders vermijden?

Je moet je kind tijdens het herprogrammeerproces niet teveel dwingen, want dat geeft stress die de amygdala’s alleen maar actiever maakt. Maar je moet je kind zeker ook niet overdreven geruststellen. Dat bevestigt namelijk ook op subtiele wijze alleen dat het eigenlijk wél eng is. Ik word er in elk geval nooit kalm van als iemand roept dat er geen reden voor paniek is… Laat met jouw gedrag maar zien dat een situatie veilig is.

Een lagere tolerantie voor ongezondheid: de kracht van hooggevoeligheid

Angst is dus de kwetsbare kant van hooggevoeligheid. De andere kant ervan is dat hooggevoeligen een lagere tolerantie voor voor dat wat niet goed is. Voor wat schadelijk, beperkend en ongezond is. Ze merken het eerder op en voelen het simpelweg sterker.

Ik geloof niet dat ongezonde zaken daadwerkelijk schadelijker zijn voor hooggevoeligen dan voor minder gevoelige mensen (ik spreek hier uit mijn eigen ervaring als HSP). Ze zijn zich alleen bewuster van de schadelijkheid ervan en kunnen dit minder goed verkroppen. En dat is gunstig! Het maakt hoogsensitieve personen tot sterk eigenwijze mensen. Ze móéten wel als ze niet de hele tijd willen lijden.

De lage tolerantie voor ongezonde toestanden – innerlijke of uiterlijke – is een dwingende reden om op zoek te gaan naar ‘genezing’. Om gezond te worden en beperkende patronen op te ruimen. En om gezondere omgevingen op te zoeken of te creëren. Uiteindelijk zijn hooggevoeligen niet echt kwetsbaarder, maar hebben ze wel meer potentie om een gezond en evenwichtig leven te leiden. Én om hun omgeving ook gezonder te maken.

Minder gevoelige mensen hebben misschien minder last van ongezonde zaken. Dat is op zich fijn, maar ze blijven daardoor wel ook makkelijker rondlopen met allerlei onzinnige ideeën en aangeleerde misvormingen en blijven hangen op vreselijke plekken omdat ze zich niet voldoende bewust zijn van de schadelijkheid ervan. En dragen er misschien zelfs onbedoeld en onbewust aan bij.

Alles heeft dus twee kanten. Ook hooggevoeligheid. De kwetsbaarheid die erbij hoort kan ook een grote kracht zijn. Zolang je amygdala’s maar niet te bang geprogrammeerd zijn, kan de eigenwijsheid en de lage ‘ongezondheidstolerantie’ van hooggevoelige personen een belangrijke bijdrage leveren aan hun eigen gezondheid en die van onze wereld.

Daarom is het zo belangrijk om de kwetsbaarheid én de kracht van hooggevoeligheid te begrijpen. Om te snappen waarom hooggevoelige kinderen gemakkelijker angstig kunnen worden. En hoe je dit kunt voorkomen.

Ik hoop dat dit artikel dit voldoende heeft duidelijk gemaakt. Als dat niet zo is, dan hoor ik het graag. Stel dan hieronder je vragen. Of neem contact met me op via het contactformulier.

 

mijn kind luistert niet

Hoe zorg je ervoor dat je kind beter luistert?

 

De eerste stap om je kind beter te laten luisteren is snappen dat met ‘luisteren’ eigenlijk gehoorzamen bedoeld wordt. De tweede stap is beseffen dat een kind niet hoeft te gehoorzamen. Een kind is dat op geen enkele manier verplicht. Als je dat inziet kun je ervoor gaan zorgen dat je kind vaker zal luisteren naar wat je te zeggen hebt. 11 Tips om je kind zonder strijd beter te laten luisteren!

Tip 1 – Gebruik Apentaal

Als je echt wilt dat je kind iets doet of juist laat, dan is het heel belangrijk dat die boodschap ondubbelzinnig en krachtig overkomt. Dat betekent dat vooral hóe je iets zegt belangrijk is. En dat doe je door je lichaamstaal , je gezichtsuitdrukking en je stem in overeenstemming zijn met je boodschap. Dat noem ik Apentaal. Apentaal komt bij kinderen heel goed binnen, op een manier waardoor ze echt luisteren.

Tip 2 – Gebruik duidelijke taal

De kans dat je kind doet wat je zegt is veel groter als je er heel duidelijk in bent. Een kind wíl in de regel namelijk graag voldoen aan je wensen, maar dan moet het wel duidelijk zijn dát je een wens hebt én wat die wens precies ís. Vermijd daarom woorden als straks, zometeen, een beetje, een stukje, daar, die, dat ding, etc. Zou je kind weten wat hij moet doen en wanneer als je tegen hem zegt dat hij straks dat ding een beetje opzij moet doen?

Tip 3 – Benoem wat je wél wilt en niet wat je niet wilt

Meestal is het effectiever om je kind te vertellen wat je wél wilt, dan wat je niet wilt. Als je zegt: “Niet rennen in huis”, voldoet je kind aan je eis als hij in plaats daarvan gaat skippyballen in huis. Maar blij of tevreden zul je niet zijn. “Gewoon lopen” is daarom veel duidelijker dan “niet rennen”.

Tip 4- Geef je kind de tijd

Veel mensen hebben de neiging om onmiddellijke resultaten te eisen. Om van hun kinderen te verwachten dat ze alles waar ze op dat moment mee bezig zijn uit handen laten vallen en meteen doen wat er gevraagd is. Dat is echter onzettend lastig voor een kind, omdat kinderen helemaal kunnen opgaan in wat ze doen. Het is dus veel beter om een vooraankondiging te doen als je ze een opdracht gaat geven. ‘We gaan over een tien minuten eten’. En vijf minuten later: ‘Wil jij over drie minuten de tafel dekken?’. En drie minuten later: ‘Dek de tafel maar alvast, dan kunnen we eten’. Zo hebben ze tijd om ‘uit’ hun activiteit te komen. Je zou zelfs een kookwekker kunnen zetten om je kind te herinneren. Bij de ene activiteit gaat dat natuurlijk sneller en gemakkelijker dan bij de anderen en het ene kind is sneller dan het andere. Leer je kind daarin kennen en houdt er rekening mee.

Tip 5 – Voorkom een overdosis

Als je erop gaat letten, dan zal het je waarschijnlijk opvallen hoe ontzettend veel opdrachten en verboden je uitspreekt naar je kind. Als je veel opdrachten en verboden geeft, kan een kind zich overvraagd gaan voelen. En om zichzelf te beschermen zal hij de (in zijn ogen) minder belangrijke zaken eruit filteren. Negeren. Al die opdrachten en verboden vormen dan een soort ‘achtergrondruis’ die wegvalt omdat je kind eraan gewend raakt. Vooral als je vaak onduidelijk bent of opdrachten en verboden een beetje tussen neus en lippen door geeft. Om ervoor te zorgen dat je opdrachten verboden ‘ruis’ worden zul je ze dus moeten beperken. Alleen de noodzakelijke uitspreken.

Tip 6 – Maak het aantrekkelijk om mee te werken

Een opdracht uitvoeren is veel leuker als je daarna gewezen wordt op de plezierige effecten ervan. Dus als je je kind je dankbaarheid betoont als hij je geholpen heeft of als je hem ervan bewust maakt hoe fijn een opgeruimde kamer is, zal hij de volgende keer eerder aan je opdrachten voldoen.

Tip 7 – Wees speels

Kinderen (en eigenlijk mensen in het algemeen) zijn spelende wezens. Als je je opvoeding zoveel mogelijk speels kunt doen, maak je het voor je kind veel leuker om mee te werken. Dus maak een spel van het opruimen. Laat hem die proppen papier in de papierbak gooien alsof het basketbal is.

Tip 8 – Gebruik humor

Humor gebruiken werkt ook hartstikke goed. Als je van opvoeden altijd een doodserieuze boel maakt, zal je kind zich er aan willen onttrekken. Een theatrale manier van ‘streng’ zijn en een grapje af en toe kunnen goed werken. Voordeel is ook dat áls je een keer echt een harde grens trekt, dat het meteen duidelijk is dat je serieus bent.

“Als je je opvoeding zoveel mogelijk speels kunt doen, maak je het voor je kind veel leuker om mee te werken”

Tip 9 – Geef een reden

Wat ook geweldig kan helpen is om de reden waaróm je iets van je kind wilt erbij geeft. Mensen (en kinderen dus ook) zijn veel eerder geneigd om aan een verzoek te voldoen als er een reden bij wordt gegeven. Ga maar bij jezelf na. Wat is het eerste wat je zegt (of denkt) als iemand je iets verbiedt of opdraagt? “Hoezo?” of “Waarvoor?” toch? En als er een goede reden komt, wil je waarschijnlijk aan het verzoek voldoen. ‘Ruim even de tafel af, want ik ben moe van het koken’, zal waarschijnlijk veel beter werken dan alleen maar ‘Ruim even de tafel af’. Je kind leert zich hierdoor ook meteen in een ander te verplaatsen. Hij gaat snappen dat een ander ook wensen en beweegredenen en wat die zijn.

Tip 10 – Zorg voor een goede band met je kind

De meeste volwassenen zullen liever hard werken voor een werkgever die hen met respect behandelt, luistert naar wat ze te zeggen hebben, meedenkt over oplossingen bij problemen, etc. Een baas die zijn macht niet misbruikt en ruimte laat voor eigen inbreng. Voor een kind is het niet anders. Dus zorg ervoor dat je een leuke ‘baas’ bent. En besef dat je niet werkelijk de baas bent…

Tip 11 – Maak contact

Als je wil dat je kind aandacht voor je boodschap heeft, moet je je boodschap met aandachat brengen. Je kunt vanuit de keuken roepen dat hij de tafel moet dekken, maar als hij tv zit te kijken, is de kans niet zo groot dat hij de boodschap oppikt. Als je naar hem toe loopt, zijn naam zegt en hem aankijkt, wordt de kans veel groter dat de boodschap binnenkomt. Zorg dus dat je contact hebt voordat je je boodschap geeft.

Als je deze principes toepast is de kans veel groter dat je kind meewerkt. Niet honderd procent, dat zou eng zijn. Het is een veel plezieriger manier van omgaan met je kind. Je kind en jijzelf hebben misschien een wenperiode nodig, waarin alles even wat moeilijker lijkt. Maar als je volhoudt, wordt het daarna een stuk beter en leuker.